Print deze pagina
Vaak gestelde vragen
Een meewerkende echtgenote met ministatuut is arbeidsongeschikt. Om uitkeringen te genieten moet zij elke persoonlijke activiteit stopzetten. Wettelijk gezien is er een verklaring op eer nodig dat ze geen activiteit meer uitoefent. Als ze na haar genezing terug helpt, zou ze normaal opnieuw moeten aansluiten bij een socialeverzekeringsfonds.
Volgens de bestaande regelgeving van de ziekteverzekering, zou zij na dit tijdvak van arbeidsongeschiktheid een nieuwe wachttijd van 6 maanden moeten doorlopen voor het recht op uitkeringen. Klopt dat?


De verplichte verklaring op erewoord mag niet te strikt worden toegepast. Dat zou trouwens niet billijk zijn. In het geschetste geval is die verklaring niet nodig. Voor de arbeidsongeschikte zelfstandige is dat trouwens ook al zo.
Men moet vermijden dat steeds een verklaring op erewoord moet worden ingestuurd wanneer de hulp even onderbroken wordt.
De arbeidsongeschikte meewerkende echtgenote wordt dus verder beschouwd als rechthebbende op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. Er moet dus niet weer een nieuwe wachttijd doorlopen worden als zij weer aan de slag gaat. Dat is ook de mening van het RIZIV.  
Dit alles geldt zeker wanneer de betrokkene geen gelijkstelling geniet wegens ziekte/invaliditeit.