Print deze pagina
Vaak gestelde vragen

Meewerkende echtgenoten kunnen voor 2010 en tegen betaling hun pensioenloopbaan uitbreiden met extra jaren. Het gaat dan om jaren gelegen voor de inwerkingtreding van het maxistatuut (voor 1 januari 2003). Dankzij deze maatregel kunnen vooral vrouwen (50-plussers) die jarenlang hun zelfstandige man geholpen hebben voldoende jaren aanmaken om later nog aanspraak te kunnen maken op een minimumpensioen. Die ingekochte jaren komen weliswaar niet in aanmerking voor een vervroegd pensioen.
Kunnen vrouwen die jarenlang hun man geholpen hebben, maar die bijvoorbeeld omwille van een echtscheiding geen meewerkende echtgenoot meer kunnen zijn, en die bewust op latere leeftijd nog als werkneemster beginnen, jaren inkopen?

Meewerkende echtgenoten - behalve als ze geboren zijn vóór 1 januari 1956 - moeten zich sinds 1 juli 2005 aansluiten in het maxistatuut. Zo krijgen ze onder andere eigen pensioenrechten. Op die manier kan men het aantal loopbaanjaren dat men bijvoorbeeld op basis van een vroegere job als werknemer heeft opgebouwd, verder laten aandikken tot een eigen pensioen.

Feit is dat wie nog geen of een beperkte loopbaan heeft opgebouwd, in het maxistatuut niet voldoende eigen pensioen meer kan opbouwen (het gezinspensioen dat de zelfstandige heeft opgebouwd zal dan bijvoorbeeld interessanter zijn dan de twee afzonderlijke pensioenen). Daarom werden een aantal correcties voorzien en kunnen de meewerkende echtgenoten, onder bepaalde voorwaarden, hun pensioenloopbaan uitbreiden met extra jaren die vóór de inwerkingtreding van het maxistatuut gelegen zijn (1 januari 2003). Daarvoor moeten zij wel vrijwillige stortingen doen (tot uiterlijk 31 december 2009).

Om de pensioenloopbaan uit te breiden met extra jaren (gelijkstelling met een periode van bezigheid) gelden deze voorwaarden:

  • men moet een aanvraag indienen;
  • men moet geboren zijn voor 1 december 1970;
  • men kan geen 2/3 van een volledige loopbaan bewijzen in één of meerdere stelsels (werknemer, zelfstandige of ambtenaar);
  • meewerkende echtgenoten die geboren zijn vóór 1 januari 1956 moeten voor de periode na 31 december 2002 geopteerd hebben voor het maxistatuut;
  • de persoon in kwestie moet met de zelfstandige gehuwd zijn geweest tijdens de inkoopjaren;
  • de totale beroepsinkomsten van de geholpen zelfstandige en van de meewerkende echtgenoot (inkomsten die als basis dienen voor de berekening van de sociale bijdragen voor dat jaar) mogen niet hoger zijn dan 15.000 EUR (niet-geïndexeerd);
  • de geïnteresseerde echtgenoot moet aantonen dat hij/zij voor de inkoopjaren de andere effectief heeft geholpen (behalve voor de jaren vóór 1 januari 2003 als er een vrijwillig verzekering was afgesloten tegen arbeidsongeschiktheid, invaliditeit en moederschap).
  • men moet de inhaalbijdragen betalen.

Volgens de minister wordt in artikel 36 van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen niet uitdrukkelijk als voorwaarde gesteld dat de verzoeker op het ogenblik van de aanvraag echt nog meewerkende echtgenoot moet zijn.
Wie geen meewerkende echtgenoot meer is op het ogenblik van de aanvraag (omdat er bijvoorbeeld een echtscheiding is tussengekomen) kan een aanvraag indienen.
De huidige reglementering staat ook niet in de weg dat iemand die geen meewerkende echtgenoot meer is op het moment van de aanvraag, zijn verloren jaren nog kan inhalen door vrijwillige stortingen.

Bron:
Antwoord op de vraag van de heer volksvertegenwoordiger Luc Goutry aan de Minister van KMO's, Zelfstandigen, Landbouw en Wetenschapsbeleid, dd. 16 april 2009).